{"answer_id":"praxikon:eu:ai-act:answer:wanneer-gpai-aanbieder-ai-act","canonical_page":"https://www.praxikon.com/nl/antwoord/wanneer-gpai-aanbieder-ai-act","query":"Wanneer gaan de AI Act-verplichtingen gelden voor een aanbieder van een GPAI-model?","lang":"nl","view":"full","mode":"form","question":"Wanneer gaan de AI Act-verplichtingen gelden voor een aanbieder van een GPAI-model?","situation":"De verplichtingen voor een aanbieder van een GPAI-model treden niet op één moment in werking. Zij verdelen zich over 2 groepen, van 2 augustus 2025 tot 2 augustus 2025. 2 bepalingen dragen geen eigen datum: zij kennen geen termijn van zichzelf. Hieronder staat per bepaling wanneer zij gaat gelden.","likely_role":"aanbieder van een GPAI-model","note":null,"matched_terms":[],"dataset":{"id":"praxikon:sys:registry:dataset:ai-act-implementation-graph","version":"2.2.0","schema_version":"1.5.0","effective_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z","known_at":"2026-09-06T00:00:00.000Z","last_reviewed_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z","licence":"https://www.praxikon.com/nl/legal/terms","canonical_url":"https://www.praxikon.com/api/v1/entities"},"obligations":[{"slug":"article-40-42-standards-and-specifications","label":"Artikelen 40 tot en met 42: normen, gemeenschappelijke specificaties en vermoeden van conformiteit","summary":"Wie een geharmoniseerde norm toepast waarvan de referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, wordt geacht te voldoen aan de eisen van afdeling 2 of aan de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, voor zover die norm ze dekt. Zolang zo een norm er niet is, kan de Commissie bij uitvoeringshandeling gemeenschappelijke specificaties vaststellen, en die dragen hetzelfde vermoeden. Past u zo een gemeenschappelijke specificatie niet toe, dan moet u naar behoren rechtvaardigen dat u technische oplossingen heeft gekozen die minstens gelijkwaardig zijn. Artikel 42 voegt daar drie smalle vermoedens aan toe, en zij ontstaan niet alle op dezelfde manier. Lid 1 geeft het vermoeden van overeenstemming met artikel 10, lid 4, aan systemen die zijn getraind en getest op data die de specifieke geografische, gedrags-, contextuele of functionele omgeving weerspiegelen waarin zij zullen worden gebruikt; daaraan is geen bekendmaking in het Publicatieblad verbonden. Lid 2 stelt die voorwaarde wel: het vermoeden van overeenstemming met de cyberbeveiligingseisen van artikel 15 geldt voor systemen die zijn gecertificeerd onder een regeling krachtens Verordening (EU) 2019/881 waarvan de referenties in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt. Het bij artikel 1, punt 18, van Verordening (EU) 2026/1744 toegevoegde lid 3 geeft datzelfde vermoeden aan systemen die onder Verordening (EU) 2024/2847 vallen en aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, daarvan voldoen. Elk van deze vermoedens is weerlegbaar en reikt niet verder dan wat de norm, de specificatie of de certificering dekt.","legal_status":"applicable","deadline_at":null,"high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-40-42-standards-and-specifications","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"De slotalinea van artikel 40, lid 2, zoals toegevoegd bij artikel 1, punt 17, van Verordening (EU) 2026/1744, bepaalt: de Commissie verzoekt de Europese normalisatieorganisaties overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 en zonder onnodige vertraging normalisatieproducten te ontwikkelen, met inbegrip van, waar passend, geharmoniseerde normen, om gezamenlijke naleving en het vermoeden van conformiteit met de eisen of verplichtingen die zijn vastgesteld in hoofdstuk III, afdelingen 2 en 3, van deze verordening, en met de desbetreffende eisen en verplichtingen die zijn vastgesteld in de in bijlage I bij deze verordening vermelde harmonisatiewetgeving van de Unie te vergemakkelijken. Het bij artikel 1, punt 18, toegevoegde artikel 42, lid 3, bepaalt: wanneer AI-systemen met een hoog risico binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2024/2847 vallen en aan de voorwaarden van artikel 12, lid 1, van die verordening is voldaan, worden die systemen geacht te voldoen aan de cyberbeveiligingseisen van artikel 15 van deze verordening.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punten 17 en 18, tot wijziging van artikel 40, lid 2, en artikel 42","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 40, lid 1, bepaalt: AI-systemen met een hoog risico of AI-modellen voor algemene doeleinden die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan, waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012, worden geacht in overeenstemming te zijn met de in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven eisen, of, naargelang het geval, de in hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, van deze verordening beschreven verplichtingen, voor zover die eisen of verplichtingen door die normen worden gedekt. Lid 2 bepaalt: Overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 dient de Commissie zonder onnodige vertraging normalisatieverzoeken in die betrekking hebben op alle eisen van afdeling 2 van dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, normalisatieverzoeken die betrekking hebben op verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, van deze verordening. In het normalisatieverzoek wordt ook gevraagd om producten met betrekking tot rapporterings- en documentatieprocessen om de prestaties van hulpbronnen van AI-systemen te verbeteren, zoals het verminderen van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen van AI-systemen met een hoog risico tijdens de levenscyclus ervan, en met betrekking tot de energie-efficiënte ontwikkeling van AI-modellen voor algemene doeleinden. Bij het opstellen van een normalisatieverzoek raadpleegt de Commissie de AI-board en de relevante belanghebbenden, met inbegrip van het adviesforum. Bij het richten van een normalisatieverzoek aan Europese normalisatie-instellingen specificeert de Commissie dat normen duidelijk en consistent moeten zijn, met inbegrip van de normen die in de verschillende sectoren ontwikkeld zijn voor producten die onder de in bijlage I vermelde bestaande harmonisatiewetgeving van de Unie vallen, en tot doel hebben ervoor te zorgen dat AI-systemen met een hoog risico of AI-modellen voor algemene doeleinden die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden gesteld, voldoen aan de relevante eisen of verplichtingen van deze verordening. Lid 3 bepaalt: De deelnemers aan het normalisatieproces streven naar het bevorderen van investeringen en innovatie in AI, onder andere door voor meer rechtszekerheid te zorgen, en het concurrentievermogen en de groei van de markt van de Unie, naar het bijdragen aan de versterking van de wereldwijde samenwerking op het gebied van normalisatie, rekening houdend met bestaande internationale normen op het gebied van AI die in overeenstemming zijn met de waarden, grondrechten en belangen van de Unie, en naar het verbeteren van de multistakeholdergovernance door te zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de belangen en de effectieve deelname van alle relevante belanghebbenden overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening (EU) nr. 1025/2012.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 40, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 41, lid 1, bepaalt: De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor de eisen van afdeling 2 van dit hoofdstuk of, in voorkomend geval, voor de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a) de Commissie heeft op grond van artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1025/2012 een of meer Europese normalisatieorganisaties verzocht een geharmoniseerde norm op te stellen voor de in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven eisen, of, in voorkomend geval, voor de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, en: i) het verzoek is door geen enkele van de Europese normalisatieorganisaties aanvaard, of ii) de geharmoniseerde normen waarop dat verzoek betrekking heeft, worden niet binnen de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1025/2012 vastgestelde termijn geleverd, of iii) in de relevante geharmoniseerde normen wordt onvoldoende rekening gehouden met problemen op het gebied van de grondrechten, of iv) de geharmoniseerde normen voldoen niet aan het verzoek, en b) er is geen referentie van geharmoniseerde normen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie voor de eisen van afdeling 2 van dit hoofdstuk of, in voorkomend geval, voor de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, en een dergelijke referentie zal naar verwachting niet binnen een redelijke termijn worden bekendgemaakt. Bij het opstellen van de gemeenschappelijke specificaties raadpleegt de Commissie het in artikel 67 bedoelde adviesforum. Lid 2 bepaalt: Alvorens een ontwerpuitvoeringshandeling op te stellen, stelt de Commissie het in artikel 22 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 bedoelde comité ervan in kennis dat zij van oordeel is dat aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel is voldaan. Lid 3 bepaalt: AI-systemen met een hoog risico of AI-modellen voor algemene doeleinden die in overeenstemming zijn met de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of delen daarvan worden geacht in overeenstemming te zijn met de in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven voorschriften, of, in voorkomend geval, met de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, voor zover die voorschriften of die verplichtingen door die gemeenschappelijke specificaties worden bestreken.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 41, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 41, lid 4, bepaalt: Wanneer een Europese normalisatieorganisatie een geharmoniseerde norm vaststelt en deze aan de Commissie voorstelt met het oog op de bekendmaking van de referentie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, beoordeelt de Commissie de geharmoniseerde norm overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012. Wanneer de referentie van een geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, trekt de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen of delen daarvan die dezelfde in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen of, in voorkomend geval, dezelfde verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, dekken, in. Lid 5 bepaalt: Wanneer aanbieders van AI-systemen met een hoog risico of AI-modellen voor algemene doeleinden niet voldoen aan de in lid 1 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, moeten zij naar behoren rechtvaardigen dat zij technische oplossingen hebben gekozen die voldoen aan de in afdeling 2 van dit hoofdstuk beschreven voorschriften of, in voorkomend geval, aan de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, in een mate die minstens gelijkwaardig daarmee is. Lid 6 bepaalt: Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een gemeenschappelijke specificatie niet volledig aan de eisen van afdeling 2 van dit hoofdstuk of, in voorkomend geval, de verplichtingen van hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, voldoet, stelt deze lidstaat de Commissie daarvan in kennis met een gedetailleerde toelichting. De Commissie beoordeelt die informatie en wijzigt de uitvoeringshandeling tot vaststelling van de betrokken gemeenschappelijke specificatie zo nodig.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 41, leden 4, 5 en 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 42, lid 1, bepaalt: AI-systemen met een hoog risico die zijn getraind en getest op data die overeenkomen met de specifieke geografische, gedragsgerelateerde, contextuele of functionele omgeving waarin zij zullen worden gebruikt, geacht te voldoen de in artikel 10, lid 4, beschreven relevante eisen. Lid 2 bepaalt: AI-systemen met een hoog risico die zijn gecertificeerd of waarvoor een conformiteitsverklaring is verstrekt volgens een cyberbeveiligingsregeling krachtens Verordening (EU) 2019/881 en waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht te voldoen aan de in artikel 15 van deze verordening beschreven cyberbeveiligingseisen, voor zover die eisen door het cyberbeveiligingscertificaat of de conformiteitsverklaring of delen daarvan worden bestreken.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 42, leden 1 en 2","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Het woord waar alles om draait is vermoeden. Een vermoeden van conformiteit is geen bewijs van naleving en het is weerlegbaar: het verschuift wie wat moet aantonen, meer niet. Toont een markttoezichtautoriteit aan dat uw systeem in werkelijkheid niet aan een eis van afdeling 2 voldoet, dan houdt de toegepaste norm dat niet tegen. Daar komen twee grenzen bij die in de tekst zelf staan. De eerste is de dekkingsgrens: het vermoeden werkt uitsluitend voor zover de norm of de specificatie de betrokken eisen of verplichtingen dekt. EN 18286 laat precies zien wat dat betekent, want de dekkingsverklaring bij die norm sluit artikel 17, leden 2 tot en met 4, en artikel 72 uitdrukkelijk uit; wat buiten de dekking valt, onderbouwt u zelf. De tweede is de bekendmakingsgrens: zonder referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie ontstaat er geen vermoeden, hoe compleet de norm ook is. De twaalf normobjecten in data/ai-act/graph/standards.ts staan er om die reden allemaal op guidance en niet op applicable. Wie een leverancier hoort zeggen dat zijn product aan de Europese norm voldoet en daarom AI Act-conform is, hoort dus twee sprongen tegelijk: van dekking naar volledigheid, en van norm naar rechtsgevolg.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 40, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Het woord waar alles om draait is vermoeden. Een vermoeden van conformiteit is geen bewijs van naleving en het is weerlegbaar: het verschuift wie wat moet aantonen, meer niet. Toont een markttoezichtautoriteit aan dat uw systeem in werkelijkheid niet aan een eis van afdeling 2 voldoet, dan houdt de toegepaste norm dat niet tegen. Daar komen twee grenzen bij die in de tekst zelf staan. De eerste is de dekkingsgrens: het vermoeden werkt uitsluitend voor zover de norm of de specificatie de betrokken eisen of verplichtingen dekt. EN 18286 laat precies zien wat dat betekent, want de dekkingsverklaring bij die norm sluit artikel 17, leden 2 tot en met 4, en artikel 72 uitdrukkelijk uit; wat buiten de dekking valt, onderbouwt u zelf. De tweede is de bekendmakingsgrens: zonder referentie in het Publicatieblad van de Europese Unie ontstaat er geen vermoeden, hoe compleet de norm ook is. De twaalf normobjecten in data/ai-act/graph/standards.ts staan er om die reden allemaal op guidance en niet op applicable. Wie een leverancier hoort zeggen dat zijn product aan de Europese norm voldoet en daarom AI Act-conform is, hoort dus twee sprongen tegelijk: van dekking naar volledigheid, en van norm naar rechtsgevolg.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:cen-cenelec-jtc21","source_locator":"EN 18286:2026, CEN/CLC/JTC 21 onder normalisatieverzoek M/613","source_url":"https://www.cencenelec.eu/areas-of-work/cen-cenelec-topics/artificial-intelligence/","eli":null},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Artikel 41 wordt vaak weggezet als een noodklep die wel nooit zal worden gebruikt, en dat is de verkeerde inschatting. De Europese normen onder normalisatieverzoek M/613 zijn nog niet alle beschikbaar: de normalisatielaag in data/ai-act/graph/standards.ts laat één afgeronde EN zien en zes deliverables die nog in ontwerp of enquete zijn. Precies dat is de toestand die de voorwaarden van artikel 41, lid 1, punt a), ii), en punt b), beschrijven, en dus blijft de route van de gemeenschappelijke specificatie praktisch relevant. Voor u betekent dat twee dingen. Ten eerste kan er voor een eis van afdeling 2 een uitvoeringshandeling komen die u niet zelf heeft zien aankomen en die uw ontwerpkeuzes raakt; die handelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 98, lid 2, en niet in overleg met individuele aanbieders. Ten tweede is er dan een lid dat rechtstreeks van u iets vraagt: lid 5. Past u de gemeenschappelijke specificatie niet toe, dan moet u naar behoren rechtvaardigen dat uw technische oplossing minstens gelijkwaardig is. Dat is de enige plek in deze drie artikelen waar u zelf iets moet opschrijven, en de tekst zegt niet waar. In de praktijk hoort die rechtvaardiging in de technische documentatie, want dat is het dossier dat op een met redenen omkleed verzoek moet worden overgelegd. Artikel 42 is smaller dan het lijkt en wordt om die reden overschat. Lid 1 raakt uitsluitend artikel 10, lid 4, en niet de rest van de datagovernance van artikel 10; lid 2 raakt uitsluitend de cyberbeveiligingseisen van artikel 15 en alleen wanneer de referenties van de regeling onder Verordening (EU) 2019/881 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt. Een certificaat onder een nog niet bekendgemaakte regeling levert geen vermoeden op, en een vermoeden op artikel 15 zegt niets over uw artikel 9, 11, 12, 13 of 14.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 41, leden 4, 5 en 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Artikel 41 wordt vaak weggezet als een noodklep die wel nooit zal worden gebruikt, en dat is de verkeerde inschatting. De Europese normen onder normalisatieverzoek M/613 zijn nog niet alle beschikbaar: de normalisatielaag in data/ai-act/graph/standards.ts laat één afgeronde EN zien en zes deliverables die nog in ontwerp of enquete zijn. Precies dat is de toestand die de voorwaarden van artikel 41, lid 1, punt a), ii), en punt b), beschrijven, en dus blijft de route van de gemeenschappelijke specificatie praktisch relevant. Voor u betekent dat twee dingen. Ten eerste kan er voor een eis van afdeling 2 een uitvoeringshandeling komen die u niet zelf heeft zien aankomen en die uw ontwerpkeuzes raakt; die handelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 98, lid 2, en niet in overleg met individuele aanbieders. Ten tweede is er dan een lid dat rechtstreeks van u iets vraagt: lid 5. Past u de gemeenschappelijke specificatie niet toe, dan moet u naar behoren rechtvaardigen dat uw technische oplossing minstens gelijkwaardig is. Dat is de enige plek in deze drie artikelen waar u zelf iets moet opschrijven, en de tekst zegt niet waar. In de praktijk hoort die rechtvaardiging in de technische documentatie, want dat is het dossier dat op een met redenen omkleed verzoek moet worden overgelegd. Artikel 42 is smaller dan het lijkt en wordt om die reden overschat. Lid 1 raakt uitsluitend artikel 10, lid 4, en niet de rest van de datagovernance van artikel 10; lid 2 raakt uitsluitend de cyberbeveiligingseisen van artikel 15 en alleen wanneer de referenties van de regeling onder Verordening (EU) 2019/881 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt. Een certificaat onder een nog niet bekendgemaakte regeling levert geen vermoeden op, en een vermoeden op artikel 15 zegt niets over uw artikel 9, 11, 12, 13 of 14.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 42, leden 1 en 2","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Artikel 41 wordt vaak weggezet als een noodklep die wel nooit zal worden gebruikt, en dat is de verkeerde inschatting. De Europese normen onder normalisatieverzoek M/613 zijn nog niet alle beschikbaar: de normalisatielaag in data/ai-act/graph/standards.ts laat één afgeronde EN zien en zes deliverables die nog in ontwerp of enquete zijn. Precies dat is de toestand die de voorwaarden van artikel 41, lid 1, punt a), ii), en punt b), beschrijven, en dus blijft de route van de gemeenschappelijke specificatie praktisch relevant. Voor u betekent dat twee dingen. Ten eerste kan er voor een eis van afdeling 2 een uitvoeringshandeling komen die u niet zelf heeft zien aankomen en die uw ontwerpkeuzes raakt; die handelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure van artikel 98, lid 2, en niet in overleg met individuele aanbieders. Ten tweede is er dan een lid dat rechtstreeks van u iets vraagt: lid 5. Past u de gemeenschappelijke specificatie niet toe, dan moet u naar behoren rechtvaardigen dat uw technische oplossing minstens gelijkwaardig is. Dat is de enige plek in deze drie artikelen waar u zelf iets moet opschrijven, en de tekst zegt niet waar. In de praktijk hoort die rechtvaardiging in de technische documentatie, want dat is het dossier dat op een met redenen omkleed verzoek moet worden overgelegd. Artikel 42 is smaller dan het lijkt en wordt om die reden overschat. Lid 1 raakt uitsluitend artikel 10, lid 4, en niet de rest van de datagovernance van artikel 10; lid 2 raakt uitsluitend de cyberbeveiligingseisen van artikel 15 en alleen wanneer de referenties van de regeling onder Verordening (EU) 2019/881 in het Publicatieblad zijn bekendgemaakt. Een certificaat onder een nog niet bekendgemaakte regeling levert geen vermoeden op, en een vermoeden op artikel 15 zegt niets over uw artikel 9, 11, 12, 13 of 14.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:cen-cenelec-jtc21","source_locator":"prEN 18228 (ontwerpnorm), CEN/CLC/JTC 21 onder M/613","source_url":"https://www.cencenelec.eu/areas-of-work/cen-cenelec-topics/artificial-intelligence/","eli":null},{"kind":"recommended_action","statement":"Maak per hoog-risicosysteem en per AI-model voor algemene doeleinden een dekkingsmatrix: zet in de linkerkolom elke eis van afdeling 2 die op u drukt, en zet ernaast welke geharmoniseerde norm, welke gemeenschappelijke specificatie of welk eigen document die eis afdekt. Noteer per regel of de referentie van die norm in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, want alleen die regels dragen een vermoeden; de overige regels vragen om eigen bewijs. Schrijf voor elke eis waarvoor een gemeenschappelijke specificatie bestaat die u niet toepast een rechtvaardiging op grond van artikel 41, lid 5: welke technische oplossing u heeft gekozen, waarom die minstens gelijkwaardig is aan wat de specificatie verlangt, en welke test dat laat zien. Neem die rechtvaardiging op in de technische documentatie, zodat zij op een met redenen omkleed verzoek meteen mee kan. Zet daarnaast een vaste controle op de bekendmakingen in het Publicatieblad: een nieuwe referentie zet een vermoeden aan, en trekt op grond van artikel 41, lid 4, een bestaande gemeenschappelijke specificatie in, wat de grondslag onder een regel van uw matrix kan wegnemen. Wilt u leunen op artikel 42, leg dan vast waarom uw trainings- en testdata overeenkomen met de geografische, gedragsgerelateerde, contextuele of functionele omgeving waarin het systeem zal worden gebruikt, en beperk de conclusie tot artikel 10, lid 4. Voor de cyberbeveiligingsroute controleert u eerst of de referenties van de regeling onder Verordening (EU) 2019/881 in het Publicatieblad staan; zonder die bekendmaking is het certificaat een goed document zonder rechtsgevolg onder artikel 15.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 41, leden 4, 5 en 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Maak per hoog-risicosysteem en per AI-model voor algemene doeleinden een dekkingsmatrix: zet in de linkerkolom elke eis van afdeling 2 die op u drukt, en zet ernaast welke geharmoniseerde norm, welke gemeenschappelijke specificatie of welk eigen document die eis afdekt. Noteer per regel of de referentie van die norm in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, want alleen die regels dragen een vermoeden; de overige regels vragen om eigen bewijs. Schrijf voor elke eis waarvoor een gemeenschappelijke specificatie bestaat die u niet toepast een rechtvaardiging op grond van artikel 41, lid 5: welke technische oplossing u heeft gekozen, waarom die minstens gelijkwaardig is aan wat de specificatie verlangt, en welke test dat laat zien. Neem die rechtvaardiging op in de technische documentatie, zodat zij op een met redenen omkleed verzoek meteen mee kan. Zet daarnaast een vaste controle op de bekendmakingen in het Publicatieblad: een nieuwe referentie zet een vermoeden aan, en trekt op grond van artikel 41, lid 4, een bestaande gemeenschappelijke specificatie in, wat de grondslag onder een regel van uw matrix kan wegnemen. Wilt u leunen op artikel 42, leg dan vast waarom uw trainings- en testdata overeenkomen met de geografische, gedragsgerelateerde, contextuele of functionele omgeving waarin het systeem zal worden gebruikt, en beperk de conclusie tot artikel 10, lid 4. Voor de cyberbeveiligingsroute controleert u eerst of de referenties van de regeling onder Verordening (EU) 2019/881 in het Publicatieblad staan; zonder die bekendmaking is het certificaat een goed document zonder rechtsgevolg onder artikel 15.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 10, lid 4; artikel 15; artikel 43, lid 1; hoofdstuk III, afdeling 5, en artikel 113, tweede alinea","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"}]},{"slug":"article-4a-bias-testing-legal-basis","label":"Artikel 4a: rechtsgrond voor biastoetsing met bijzondere persoonsgegevens","summary":"Artikel 4a geeft geen opdracht maar toestemming, en aan twee verschillende kringen. Lid 1 laat alleen de aanbieder van een hoog-risico AI-systeem bij wijze van uitzondering bijzondere categorieen van persoonsgegevens verwerken, voor zover strikt noodzakelijk voor biasopsporing en biascorrectie in de zin van artikel 10, lid 2, punten f) en g), en alleen wanneer alle zes voorwaarden a) tot en met f) zijn vervuld. Lid 2 opent dezelfde ruimte voor aanbieders en gebruiksverantwoordelijken van andere AI-systemen en modellen en voor gebruiksverantwoordelijken van hoog-risico systemen, maar alleen bij vertekening die de gezondheid en veiligheid waarschijnlijk raakt, negatieve gevolgen heeft voor grondrechten of leidt tot krachtens het Unierecht verboden discriminatie, en met dezelfde zes voorwaarden. De grondslag stond tot 27 juli 2026 in artikel 10, lid 5.","legal_status":"applicable","deadline_at":null,"high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-4a-bias-testing-legal-basis","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"Lid 1 bepaalt dat aanbieders van hoog-risico AI-systemen, voor zover strikt noodzakelijk om vertekening op te sporen en te corrigeren overeenkomstig artikel 10, lid 2, punten f) en g), van deze verordening, bij wijze van uitzondering bijzondere categorieen van persoonsgegevens mogen verwerken, met passende waarborgen voor de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen. Naast het bepaalde in Verordening (EU) 2016/679, Verordening (EU) 2018/1725 en Richtlijn (EU) 2016/680, naargelang van toepassing, moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan om die verwerking te laten plaatsvinden: a) de opsporing en correctie van vertekening kunnen niet doeltreffend worden verricht door andere gegevens te verwerken, waaronder synthetische of geanonimiseerde gegevens; b) de bijzondere categorieen van persoonsgegevens zijn onderworpen aan technische beperkingen op het hergebruik van persoonsgegevens en aan beveiligings- en privacybeschermende maatregelen die de stand van de techniek weerspiegelen, waaronder pseudonimisering; c) de bijzondere categorieen van persoonsgegevens zijn onderworpen aan maatregelen die waarborgen dat de verwerkte persoonsgegevens beveiligd en beschermd zijn, met passende waarborgen, waaronder strikte controle op en documentatie van de toegang, om misbruik te voorkomen en te verzekeren dat alleen bevoegde personen met passende geheimhoudingsverplichtingen toegang hebben tot die persoonsgegevens; d) de bijzondere categorieen van persoonsgegevens worden niet aan andere partijen doorgegeven, overgedragen of anderszins toegankelijk gemaakt; e) de bijzondere categorieen van persoonsgegevens worden gewist zodra de vertekening is gecorrigeerd of de persoonsgegevens het einde van hun bewaartermijn hebben bereikt, al naargelang wat zich het eerst voordoet; en f) de registers van verwerkingsactiviteiten op grond van Verordening (EU) 2016/679, Verordening (EU) 2018/1725 en Richtlijn (EU) 2016/680 vermelden waarom de verwerking van bijzondere categorieen van persoonsgegevens strikt noodzakelijk was om vertekening op te sporen en te corrigeren, en waarom dat doel niet kon worden bereikt door andere gegevens te verwerken.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 6, tot invoeging van artikel 4 bis: artikel 4 bis, lid 1, punten a) tot en met f), en artikel 4 bis, lid 2, punten a) en b)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Verordening (EU) 2026/1744 voegt in artikel 1, punt 6, artikel 4a in Verordening (EU) 2024/1689 in en schrapt in artikel 1, punt 9, onder b), artikel 10, lid 5. Dezelfde punt 9 vervangt artikel 10, lid 1, en artikel 10, lid 6, zodat die nu naar de kwaliteitscriteria van artikel 4a, lid 1, verwijzen. De grondslag staat daarmee niet langer bij de eisen aan hoog-risico systemen in hoofdstuk III, maar als zelfstandig artikel in hoofdstuk I, direct na artikel 4, terwijl artikel 10 er van buitenaf naar terugverwijst. In de Nederlandse taalversie van het Publicatieblad heet dit ingevoegde artikel \"artikel 4 bis\"; \"artikel 4a\" is de Engelse nummering van dezelfde bepaling.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 6 (invoeging) en punt 9 (artikel 10 gewijzigd, lid 5 geschrapt)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Dezelfde wijzigingsverordening vervangt in artikel 1, punt 2, onder b), artikel 2, lid 7, van Verordening (EU) 2024/1689. Dat lid luidt sinds 27 juli 2026: \"Het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens, de privacy en de vertrouwelijkheid van communicatie is van toepassing op persoonsgegevens die worden verwerkt in verband met de rechten en verplichtingen die in deze verordening zijn vastgelegd. Onverminderd artikel 4 bis en artikel 59 van deze verordening laat deze verordening de Verordeningen (EU) 2016/679 of (EU) 2018/1725, of de Richtlijnen 2002/58/EG of (EU) 2016/680 onverlet.\" De vorige versie van dit lid kende dat voorbehoud voor artikel 4a niet.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 2, onder b), tot vervanging van artikel 2, lid 7","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Overweging 9 van Verordening (EU) 2026/1744 bepaalt dat het opsporen en corrigeren van vertekening een zwaarwegend algemeen belang vormt, dat de uitgebreide grondslag onderworpen is aan dezelfde beperkingen, voorwaarden en waarborgen als het bestaande artikel 10, lid 5, en dat daarmee de naleving wordt verzekerd van artikel 9, lid 2, punt g), van Verordening (EU) 2016/679, artikel 10, lid 2, punt g), van Verordening (EU) 2018/1725 en artikel 10, punt a), van Richtlijn (EU) 2016/680. Dezelfde overweging bepaalt dat de door artikel 4a gevestigde grondslag, om aanbieders van hoog-risico AI-systemen in staat te stellen rechtmatig biasopsporing en biascorrectie te verrichten ter voorbereiding op de naleving van de eisen voor hoog-risico systemen, van toepassing moet zijn vanaf de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2024/1689. Artikel 4 van de wijzigingsverordening regelt uitsluitend de inwerkingtreding op de derde dag na bekendmaking en kent geen uitgestelde toepassing; het gewijzigde artikel 113, derde alinea, punt a), bepaalt dat de hoofdstukken I en II van toepassing zijn vanaf 2 februari 2025, met uitzondering van artikel 5, lid 1, eerste alinea, punten b bis) en b ter), en artikel 5, leden 1 bis en 1 ter, die vanaf 2 december 2026 gelden. Artikel 4a staat in hoofdstuk I en valt niet onder die uitzondering.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Overweging 9, artikel 4 (inwerkingtreding) en artikel 1, punt 40, onder a), tot vervanging van artikel 113, derde alinea, punt a)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Drie dingen zijn hier in de praktijk belangrijker dan de verplaatsing zelf. Het eerste is dat dit artikel u niets opdraagt. Lid 2 zegt dat met zoveel woorden, en er hoort dus ook geen datum bij waarop iets af moet zijn. Het tweede, en het gevaarlijkere misverstand, is dat de verplaatsing naar hoofdstuk I zou betekenen dat u nu gevoelige kenmerken mag gaan verzamelen omdat u aan eerlijkheidsmetingen wilt doen. Wat is verruimd is de kring van partijen, niet de ruimte binnen de grondslag: overweging 9 zegt uitdrukkelijk dat dezelfde beperkingen, voorwaarden en waarborgen gelden als onder het oude artikel 10, lid 5. Praktisch begint het daarom bij een schriftelijke onderbouwing waarom synthetische of geanonimiseerde gegevens niet volstaan, en niet bij het aanleggen van een gegevensverzameling. Het derde is de voorwaarde die het meeste opbreekt en die in geen enkele samenvatting terugkomt: punt d) bepaalt dat de gegevens niet aan andere partijen worden doorgegeven, overgedragen of anderszins toegankelijk gemaakt. Dat is feitelijk een uitbestedingsverbod. Een externe fairness-leverancier, een biastoetsingsbureau, een onderzoekspartner of een cloudpartij die bij de gegevens zelf kan, past niet binnen deze grondslag, hoe goed het contract ook is. Wie zijn biastoetsing had willen inkopen, moet haar hier zelf uitvoeren of met gegevens werken die geen bijzondere categorie zijn. Let ten slotte op uw eigen documentatie: verwerkingsregisters, gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en AI-beleidsstukken die naar artikel 10, lid 5, verwijzen, verwijzen sinds 27 juli 2026 naar een geschrapte bepaling. Dat geldt ook voor stukken die artikel 2, lid 7, aanhalen om te betogen dat de AVG onverkort voorgaat: ook dat lid is vervangen en maakt nu uitdrukkelijk een voorbehoud voor artikel 4a. Twee dateringen tot slot, en de tweede is onze gevolgtrekking en geen brontekst. Artikel 4a staat in hoofdstuk I, dat volgens artikel 113, derde alinea, punt a), sinds 2 februari 2025 van toepassing is, maar de bepaling kwam pas op 27 juli 2026 in de tekst; wij houden daarom 27 juli 2026 aan als de dag waarop de grondslag feitelijk beschikbaar kwam, terwijl overweging 9 zegt dat zij moet gelden vanaf de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2024/1689. Let er ten slotte op dat de eisen van artikel 10, lid 2, punten f) en g), waar lid 1 naar verwijst, zelf pas van toepassing worden op 2 december 2027 voor bijlage III-systemen en op 2 augustus 2028 voor bijlage I-systemen. De grondslag loopt dus bewust voor op de plicht waarvoor u haar gebruikt, precies zoals overweging 9 beoogt.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 6, tot invoeging van artikel 4 bis: artikel 4 bis, lid 1, punten a) tot en met f), en artikel 4 bis, lid 2, punten a) en b)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Drie dingen zijn hier in de praktijk belangrijker dan de verplaatsing zelf. Het eerste is dat dit artikel u niets opdraagt. Lid 2 zegt dat met zoveel woorden, en er hoort dus ook geen datum bij waarop iets af moet zijn. Het tweede, en het gevaarlijkere misverstand, is dat de verplaatsing naar hoofdstuk I zou betekenen dat u nu gevoelige kenmerken mag gaan verzamelen omdat u aan eerlijkheidsmetingen wilt doen. Wat is verruimd is de kring van partijen, niet de ruimte binnen de grondslag: overweging 9 zegt uitdrukkelijk dat dezelfde beperkingen, voorwaarden en waarborgen gelden als onder het oude artikel 10, lid 5. Praktisch begint het daarom bij een schriftelijke onderbouwing waarom synthetische of geanonimiseerde gegevens niet volstaan, en niet bij het aanleggen van een gegevensverzameling. Het derde is de voorwaarde die het meeste opbreekt en die in geen enkele samenvatting terugkomt: punt d) bepaalt dat de gegevens niet aan andere partijen worden doorgegeven, overgedragen of anderszins toegankelijk gemaakt. Dat is feitelijk een uitbestedingsverbod. Een externe fairness-leverancier, een biastoetsingsbureau, een onderzoekspartner of een cloudpartij die bij de gegevens zelf kan, past niet binnen deze grondslag, hoe goed het contract ook is. Wie zijn biastoetsing had willen inkopen, moet haar hier zelf uitvoeren of met gegevens werken die geen bijzondere categorie zijn. Let ten slotte op uw eigen documentatie: verwerkingsregisters, gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en AI-beleidsstukken die naar artikel 10, lid 5, verwijzen, verwijzen sinds 27 juli 2026 naar een geschrapte bepaling. Dat geldt ook voor stukken die artikel 2, lid 7, aanhalen om te betogen dat de AVG onverkort voorgaat: ook dat lid is vervangen en maakt nu uitdrukkelijk een voorbehoud voor artikel 4a. Twee dateringen tot slot, en de tweede is onze gevolgtrekking en geen brontekst. Artikel 4a staat in hoofdstuk I, dat volgens artikel 113, derde alinea, punt a), sinds 2 februari 2025 van toepassing is, maar de bepaling kwam pas op 27 juli 2026 in de tekst; wij houden daarom 27 juli 2026 aan als de dag waarop de grondslag feitelijk beschikbaar kwam, terwijl overweging 9 zegt dat zij moet gelden vanaf de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2024/1689. Let er ten slotte op dat de eisen van artikel 10, lid 2, punten f) en g), waar lid 1 naar verwijst, zelf pas van toepassing worden op 2 december 2027 voor bijlage III-systemen en op 2 augustus 2028 voor bijlage I-systemen. De grondslag loopt dus bewust voor op de plicht waarvoor u haar gebruikt, precies zoals overweging 9 beoogt.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 2, onder b), tot vervanging van artikel 2, lid 7","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Drie dingen zijn hier in de praktijk belangrijker dan de verplaatsing zelf. Het eerste is dat dit artikel u niets opdraagt. Lid 2 zegt dat met zoveel woorden, en er hoort dus ook geen datum bij waarop iets af moet zijn. Het tweede, en het gevaarlijkere misverstand, is dat de verplaatsing naar hoofdstuk I zou betekenen dat u nu gevoelige kenmerken mag gaan verzamelen omdat u aan eerlijkheidsmetingen wilt doen. Wat is verruimd is de kring van partijen, niet de ruimte binnen de grondslag: overweging 9 zegt uitdrukkelijk dat dezelfde beperkingen, voorwaarden en waarborgen gelden als onder het oude artikel 10, lid 5. Praktisch begint het daarom bij een schriftelijke onderbouwing waarom synthetische of geanonimiseerde gegevens niet volstaan, en niet bij het aanleggen van een gegevensverzameling. Het derde is de voorwaarde die het meeste opbreekt en die in geen enkele samenvatting terugkomt: punt d) bepaalt dat de gegevens niet aan andere partijen worden doorgegeven, overgedragen of anderszins toegankelijk gemaakt. Dat is feitelijk een uitbestedingsverbod. Een externe fairness-leverancier, een biastoetsingsbureau, een onderzoekspartner of een cloudpartij die bij de gegevens zelf kan, past niet binnen deze grondslag, hoe goed het contract ook is. Wie zijn biastoetsing had willen inkopen, moet haar hier zelf uitvoeren of met gegevens werken die geen bijzondere categorie zijn. Let ten slotte op uw eigen documentatie: verwerkingsregisters, gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en AI-beleidsstukken die naar artikel 10, lid 5, verwijzen, verwijzen sinds 27 juli 2026 naar een geschrapte bepaling. Dat geldt ook voor stukken die artikel 2, lid 7, aanhalen om te betogen dat de AVG onverkort voorgaat: ook dat lid is vervangen en maakt nu uitdrukkelijk een voorbehoud voor artikel 4a. Twee dateringen tot slot, en de tweede is onze gevolgtrekking en geen brontekst. Artikel 4a staat in hoofdstuk I, dat volgens artikel 113, derde alinea, punt a), sinds 2 februari 2025 van toepassing is, maar de bepaling kwam pas op 27 juli 2026 in de tekst; wij houden daarom 27 juli 2026 aan als de dag waarop de grondslag feitelijk beschikbaar kwam, terwijl overweging 9 zegt dat zij moet gelden vanaf de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2024/1689. Let er ten slotte op dat de eisen van artikel 10, lid 2, punten f) en g), waar lid 1 naar verwijst, zelf pas van toepassing worden op 2 december 2027 voor bijlage III-systemen en op 2 augustus 2028 voor bijlage I-systemen. De grondslag loopt dus bewust voor op de plicht waarvoor u haar gebruikt, precies zoals overweging 9 beoogt.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Overweging 9, artikel 4 (inwerkingtreding) en artikel 1, punt 40, onder a), tot vervanging van artikel 113, derde alinea, punt a)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Doe de gegevensbeschermingseffectbeoordeling voordat u begint. Bijzondere categorieen op schaal verwerken voor biastoetsing raakt artikel 35 van de AVG vrijwel altijd, en artikel 4a neemt die beoordeling niet weg: het levert de grondslag en niet de risicoafweging. Leg daarna per verwerking vast op welk lid van artikel 4a u zich beroept, voor welk systeem of model, waarom synthetische of geanonimiseerde gegevens niet volstaan, welke technische en organisatorische waarborgen gelden, wie toegang heeft en op welk moment de gegevens worden gewist. Loop in dezelfde beweging uw verwerkingsregister, uw effectbeoordelingen en uw AI-beleidsstukken na op verwijzingen naar artikel 10, lid 5, en vervang die door artikel 4a. Zet het wismoment als bewaakte termijn in plaats van als voornemen, controleer of geen enkele externe partij bij de gegevens kan, en stem de onderbouwing af met uw functionaris voor gegevensbescherming.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 6, tot invoeging van artikel 4 bis: artikel 4 bis, lid 1, punten a) tot en met f), en artikel 4 bis, lid 2, punten a) en b)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"}]},{"slug":"article-52-systemic-risk-classification","label":"Artikel 52: kennisgeving van een GPAI-model met systeemrisico","summary":"De aanbieder van een AI-model voor algemene doeleinden dat voldoet aan de voorwaarde van artikel 51, lid 1, punt a), stelt de Commissie daarvan onverwijld in kennis en in ieder geval binnen twee weken, met de informatie die nodig is om aan te tonen dat aan die eis is voldaan. Bij die kennisgeving mag hij onderbouwde argumenten aanvoeren dat het model bij wijze van uitzondering toch geen systeemrisico vertoont.","legal_status":"applicable","deadline_at":"2025-08-02T00:00:00.000Z","high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-52-systemic-risk-classification","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 51, lid 1, punt a), classificeert een AI-model voor algemene doeleinden als een model met een systeemrisico wanneer het beschikt over capaciteiten met een grote impact die worden beoordeeld op basis van passende technische instrumenten en methoden, met inbegrip van indicatoren en benchmarks; artikel 51, lid 2, bepaalt dat een model wordt geacht die capaciteiten te hebben wanneer de cumulatieve hoeveelheid berekeningen die wordt gebruikt om het te trainen, gemeten in zwevendekommabewerkingen, groter is dan 10^25. Artikel 51, lid 1, punt b), luidt voluit: op grond van een besluit van de Commissie, ambtshalve of naar aanleiding van een gekwalificeerde waarschuwing van het wetenschappelijk panel, heeft het AI-model vergelijkbare capaciteiten of een vergelijkbare impact als beschreven in punt a), met inachtneming van de criteria in bijlage XIII. De eis van vergelijkbare capaciteiten of impact en de verankering in bijlage XIII zijn dus onderdeel van de norm en niet alleen van de procedure. Artikel 51, lid 3, bepaalt daarnaast: de Commissie stelt overeenkomstig artikel 97 gedelegeerde handelingen vast om de in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde drempelwaarden te wijzigen en benchmarks en indicatoren zo nodig aan te vullen in het licht van veranderende technologische ontwikkelingen, zoals algoritmische verbeteringen of verhoogde efficientie van de hardware, zodat deze drempels de stand van de techniek weerspiegelen. De drempel van 10^25 hierboven is dus verplaatsbaar; zolang die handeling er niet is, geldt de drempel zoals hij in lid 2 staat. Zie data/ai-act/delegated-acts.json, sleutel praxikon:eu:ai-act:delegated-act:article-51-3-thresholds. Artikel 52, lid 1, verwijst uitsluitend naar punt a) en bepaalt dat de betrokken aanbieder de Commissie onverwijld in kennis stelt, doch in ieder geval binnen twee weken nadat aan die eis is voldaan of nadat bekend is geworden dat aan die eis zal worden voldaan, en dat die kennisgeving de informatie bevat die nodig is om aan te tonen dat aan de desbetreffende eis is voldaan. Krijgt de Commissie kennis van een model dat systeemrisico vertoont waarvan zij niet in kennis is gesteld, dan kan zij besluiten dit model aan te wijzen als een model met een systeemrisico. Lid 2 laat de aanbieder toe bij zijn kennisgeving voldoende onderbouwde argumenten aan te voeren dat het model, hoewel het aan die eis voldoet, bij wijze van uitzondering vanwege zijn specifieke kenmerken geen systeemrisico vertoont en derhalve niet zou mogen worden geclassificeerd als een model met een systeemrisico. Lid 3 bepaalt dat de Commissie die argumenten verwerpt indien zij concludeert dat zij niet voldoende onderbouwd zijn en de aanbieder niet heeft kunnen aantonen dat het model vanwege zijn specifieke kenmerken geen systeemrisico vertoont, waarna het model wordt beschouwd als een AI-model voor algemene doeleinden met een systeemrisico. Lid 4 geeft de Commissie de bevoegdheid een model ambtshalve of na een gekwalificeerde waarschuwing van het wetenschappelijk panel op grond van artikel 90, lid 1, punt a), aan te wijzen op basis van de in bijlage XIII vastgestelde criteria, en machtigt haar overeenkomstig artikel 97 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage XIII te wijzigen door de in die bijlage beschreven criteria te specificeren en te actualiseren. Lid 5 bepaalt dat de Commissie op een met redenen omkleed verzoek van een aanbieder wiens model op grond van lid 4 is aangewezen, dat verzoek in overweging neemt en kan besluiten opnieuw te beoordelen of het model op basis van de criteria van bijlage XIII nog steeds wordt beschouwd als een model dat systeemrisico vertoont, dat een dergelijk verzoek objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen moet bevatten die na het aanwijzingsbesluit aan het licht zijn gekomen, dat aanbieders ten vroegste zes maanden na het aanwijzingsbesluit om een herbeoordeling kunnen verzoeken, en dat na een besluit om de aanwijzing te handhaven opnieuw zes maanden moeten verstrijken. Lid 6 bepaalt dat de Commissie ervoor zorgt dat een lijst van AI-modellen voor algemene doeleinden met een systeemrisico wordt gepubliceerd en actueel wordt gehouden, onverminderd de noodzaak om intellectuele-eigendomsrechten en vertrouwelijke bedrijfsinformatie of bedrijfsgeheimen te eerbiedigen en te beschermen overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 52, leden 1 tot en met 6, met artikel 51, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Overweging 111 vermeldt dat de voor het trainen gebruikte cumulatieve rekeninput het totaal bevat aan rekeninput die voorafgaand aan het inzetten van het model is gebruikt voor de activiteiten en methoden ter verbetering van de capaciteiten ervan, zoals pre-training, het genereren van synthetische gegevens en verfijning. Overweging 112 vermeldt dat de aanbieder het AI-bureau uiterlijk twee weken nadat aan de vereisten is voldaan of nadat bekend is geworden dat een model aan de vereisten voldoet die tot het vermoeden leiden, daarvan in kennis behoort te stellen, en dat dit met name relevant is met betrekking tot de drempel van zwevendekommabewerkingen, omdat de training uitgebreide planning vergt met onder meer voorafgaande toewijzing van rekeninputmiddelen, waardoor aanbieders reeds voor voltooiing van de training weten kunnen of hun model aan de drempel zal voldoen. Dezelfde overweging vermeldt dat de aanbieder in het kader van die kennisgeving moet kunnen aantonen dat het model bij wijze van uitzondering geen systeemrisico meebrengt, dat het AI-bureau dankzij die informatie kan anticiperen op het in de handel brengen van modellen met systeemrisico, en dat die informatie met name van belang is voor modellen die als open source zullen worden vrijgegeven. Overweging 113 vermeldt dat de Commissie de bevoegdheid moet hebben een model alsnog aan te merken wanneer zij kennis krijgt van het feit dat het aan de vereisten voldoet terwijl dat eerder niet bekend was of de aanbieder haar geen kennisgeving had gedaan, en dat er naast de monitoringactiviteiten van het AI-bureau een systeem van gekwalificeerde waarschuwingen door het wetenschappelijk panel moet komen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Overwegingen 111 tot en met 113","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 111, lid 3, bepaalt dat aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden die voor 2 augustus 2025 in de handel zijn gebracht, de nodige stappen ondernemen om uiterlijk op 2 augustus 2027 aan de verplichtingen van deze verordening te voldoen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 111, lid 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"De richtsnoeren van de Commissie van 18 juli 2025 (C(2025) 5045 final) vermelden in punt (63) dat een downstream-partij wordt geacht aanbieder van het aangepaste model te zijn wanneer de voor de aanpassing gebruikte trainingscompute groter is dan een derde van de trainingscompute van het oorspronkelijke model, en in punt (64) dat die drempel, wanneer de downstream-partij de waarde van het oorspronkelijke model niet kan kennen en evenmin kan schatten, wordt vervangen door een derde van 10^25 FLOP bij een oorspronkelijk model met systeemrisico en anders door een derde van 10^23 FLOP. Punt (70) vermeldt dat wanneer een downstream-partij een als systeemrisicomodel geclassificeerd model zodanig aanpast dat zij aanbieder van het aangepaste model wordt, het resulterende model eveneens wordt vermoed capaciteiten met grote impact te hebben, en punt (71) vermeldt dat die partij dan moet voldoen aan de verplichtingen voor aanbieders van modellen met systeemrisico en de Commissie moet informeren overeenkomstig artikel 52, lid 1. De richtsnoeren zijn niet bindend.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:commission-gpai-guidelines","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, sectie 3.2, randnummers (60) tot en met (67), en secties 3.2.1 en 3.2.2, randnummers (68) tot en met (71)","source_url":"https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/guidelines-gpai-providers","eli":null},{"kind":"official_fact","statement":"De handhavingsbevoegdheden van de Commissie voor AI-modellen voor algemene doeleinden en het boeteregime van artikel 101 zijn sinds 2 augustus 2026 actief. Artikel 101, lid 1, bepaalt dat de Commissie aan aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden geldboeten kan opleggen van ten hoogste 3 procent van hun jaarlijkse totale wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar of 15 000 000 EUR, indien dat hoger is, wanneer zij vaststelt dat de aanbieder opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk heeft gepleegd op de desbetreffende bepalingen van de verordening.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikelen 91 tot en met 93, 101 en 113","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Dit is de enige plicht in dit hoofdstuk met een genummerde termijn, en twee weken is kort. Andere plichten hangen ook aan een klok, alleen zonder getal: artikel 55, lid 1, punt c), vraagt onverwijlde melding van ernstige incidenten aan het AI-bureau. De vraag hier is daarom niet of u kunt melden, maar of u het passeren van de drempel op tijd ziet. Overweging 112 laat weinig ruimte om dat naar achteren te schuiven: de wetgever gaat er uitdrukkelijk van uit dat u door de voorafgaande toewijzing van rekenkracht al voor het einde van de training weet dat u de drempel haalt. De randvraag die overblijft is hoe hard dat weten is bij een run die nog niet is toegewezen, en die vraag is klein vergeleken met de plicht zelf. Vier dingen worden in de praktijk gemist. Het eerste is het overgangsrecht: staat uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt, dan geeft artikel 111, lid 3, u tot 2 augustus 2027, en dat is het verschil tussen twee weken en twee jaar. Het tweede is de reikwijdte van de trigger: alleen de drempelroute van artikel 51, lid 1, punt a), zet deze klok aan. Wordt uw model door de Commissie aangewezen op grond van artikel 51, lid 1, punt b), of artikel 52, lid 4, dan begint artikel 55 zonder dat artikel 52 iets van u vraagt. Het derde is de omkering in de laatste zin van lid 1: krijgt de Commissie zelf kennis van een model waarvan zij niet in kennis is gesteld, dan kan zij het aanwijzen, en dan voert u het gesprek vanuit een aanwijzing in plaats van vanuit uw eigen dossier. Sinds 2 augustus 2026 staat daar bovendien het boeteregime van artikel 101 achter. Het vierde is het weerleggingsspoor van lid 2: die argumenten horen bij de kennisgeving en niet erna, dus zij moeten al klaarliggen op het moment dat u meldt. Wie eenmaal is aangewezen, houdt alleen lid 5 over, en dat spoor loopt traag: op zijn vroegst zes maanden na het besluit, en alleen met objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het besluit aan het licht zijn gekomen. De tekst noemt de Commissie als geadresseerde; overweging 112 en artikel 55, lid 1, punt c), noemen het AI-bureau, dat deze taak binnen de Commissie uitvoert. Voor een organisatie die alleen een extern model gebruikt speelt dit artikel niet: het richt zich tot de aanbieder van het model. Dat wil niet zeggen dat doorontwikkeling buiten schot blijft: volgens punt (71) van de richtsnoeren C(2025) 5045 final moet een partij die door een aanpassing zelf aanbieder van een systeemrisicomodel wordt, de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 1, informeren.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 52, leden 1 tot en met 6, met artikel 51, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Dit is de enige plicht in dit hoofdstuk met een genummerde termijn, en twee weken is kort. Andere plichten hangen ook aan een klok, alleen zonder getal: artikel 55, lid 1, punt c), vraagt onverwijlde melding van ernstige incidenten aan het AI-bureau. De vraag hier is daarom niet of u kunt melden, maar of u het passeren van de drempel op tijd ziet. Overweging 112 laat weinig ruimte om dat naar achteren te schuiven: de wetgever gaat er uitdrukkelijk van uit dat u door de voorafgaande toewijzing van rekenkracht al voor het einde van de training weet dat u de drempel haalt. De randvraag die overblijft is hoe hard dat weten is bij een run die nog niet is toegewezen, en die vraag is klein vergeleken met de plicht zelf. Vier dingen worden in de praktijk gemist. Het eerste is het overgangsrecht: staat uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt, dan geeft artikel 111, lid 3, u tot 2 augustus 2027, en dat is het verschil tussen twee weken en twee jaar. Het tweede is de reikwijdte van de trigger: alleen de drempelroute van artikel 51, lid 1, punt a), zet deze klok aan. Wordt uw model door de Commissie aangewezen op grond van artikel 51, lid 1, punt b), of artikel 52, lid 4, dan begint artikel 55 zonder dat artikel 52 iets van u vraagt. Het derde is de omkering in de laatste zin van lid 1: krijgt de Commissie zelf kennis van een model waarvan zij niet in kennis is gesteld, dan kan zij het aanwijzen, en dan voert u het gesprek vanuit een aanwijzing in plaats van vanuit uw eigen dossier. Sinds 2 augustus 2026 staat daar bovendien het boeteregime van artikel 101 achter. Het vierde is het weerleggingsspoor van lid 2: die argumenten horen bij de kennisgeving en niet erna, dus zij moeten al klaarliggen op het moment dat u meldt. Wie eenmaal is aangewezen, houdt alleen lid 5 over, en dat spoor loopt traag: op zijn vroegst zes maanden na het besluit, en alleen met objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het besluit aan het licht zijn gekomen. De tekst noemt de Commissie als geadresseerde; overweging 112 en artikel 55, lid 1, punt c), noemen het AI-bureau, dat deze taak binnen de Commissie uitvoert. Voor een organisatie die alleen een extern model gebruikt speelt dit artikel niet: het richt zich tot de aanbieder van het model. Dat wil niet zeggen dat doorontwikkeling buiten schot blijft: volgens punt (71) van de richtsnoeren C(2025) 5045 final moet een partij die door een aanpassing zelf aanbieder van een systeemrisicomodel wordt, de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 1, informeren.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Overwegingen 111 tot en met 113","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Dit is de enige plicht in dit hoofdstuk met een genummerde termijn, en twee weken is kort. Andere plichten hangen ook aan een klok, alleen zonder getal: artikel 55, lid 1, punt c), vraagt onverwijlde melding van ernstige incidenten aan het AI-bureau. De vraag hier is daarom niet of u kunt melden, maar of u het passeren van de drempel op tijd ziet. Overweging 112 laat weinig ruimte om dat naar achteren te schuiven: de wetgever gaat er uitdrukkelijk van uit dat u door de voorafgaande toewijzing van rekenkracht al voor het einde van de training weet dat u de drempel haalt. De randvraag die overblijft is hoe hard dat weten is bij een run die nog niet is toegewezen, en die vraag is klein vergeleken met de plicht zelf. Vier dingen worden in de praktijk gemist. Het eerste is het overgangsrecht: staat uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt, dan geeft artikel 111, lid 3, u tot 2 augustus 2027, en dat is het verschil tussen twee weken en twee jaar. Het tweede is de reikwijdte van de trigger: alleen de drempelroute van artikel 51, lid 1, punt a), zet deze klok aan. Wordt uw model door de Commissie aangewezen op grond van artikel 51, lid 1, punt b), of artikel 52, lid 4, dan begint artikel 55 zonder dat artikel 52 iets van u vraagt. Het derde is de omkering in de laatste zin van lid 1: krijgt de Commissie zelf kennis van een model waarvan zij niet in kennis is gesteld, dan kan zij het aanwijzen, en dan voert u het gesprek vanuit een aanwijzing in plaats van vanuit uw eigen dossier. Sinds 2 augustus 2026 staat daar bovendien het boeteregime van artikel 101 achter. Het vierde is het weerleggingsspoor van lid 2: die argumenten horen bij de kennisgeving en niet erna, dus zij moeten al klaarliggen op het moment dat u meldt. Wie eenmaal is aangewezen, houdt alleen lid 5 over, en dat spoor loopt traag: op zijn vroegst zes maanden na het besluit, en alleen met objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het besluit aan het licht zijn gekomen. De tekst noemt de Commissie als geadresseerde; overweging 112 en artikel 55, lid 1, punt c), noemen het AI-bureau, dat deze taak binnen de Commissie uitvoert. Voor een organisatie die alleen een extern model gebruikt speelt dit artikel niet: het richt zich tot de aanbieder van het model. Dat wil niet zeggen dat doorontwikkeling buiten schot blijft: volgens punt (71) van de richtsnoeren C(2025) 5045 final moet een partij die door een aanpassing zelf aanbieder van een systeemrisicomodel wordt, de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 1, informeren.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 111, lid 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Dit is de enige plicht in dit hoofdstuk met een genummerde termijn, en twee weken is kort. Andere plichten hangen ook aan een klok, alleen zonder getal: artikel 55, lid 1, punt c), vraagt onverwijlde melding van ernstige incidenten aan het AI-bureau. De vraag hier is daarom niet of u kunt melden, maar of u het passeren van de drempel op tijd ziet. Overweging 112 laat weinig ruimte om dat naar achteren te schuiven: de wetgever gaat er uitdrukkelijk van uit dat u door de voorafgaande toewijzing van rekenkracht al voor het einde van de training weet dat u de drempel haalt. De randvraag die overblijft is hoe hard dat weten is bij een run die nog niet is toegewezen, en die vraag is klein vergeleken met de plicht zelf. Vier dingen worden in de praktijk gemist. Het eerste is het overgangsrecht: staat uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt, dan geeft artikel 111, lid 3, u tot 2 augustus 2027, en dat is het verschil tussen twee weken en twee jaar. Het tweede is de reikwijdte van de trigger: alleen de drempelroute van artikel 51, lid 1, punt a), zet deze klok aan. Wordt uw model door de Commissie aangewezen op grond van artikel 51, lid 1, punt b), of artikel 52, lid 4, dan begint artikel 55 zonder dat artikel 52 iets van u vraagt. Het derde is de omkering in de laatste zin van lid 1: krijgt de Commissie zelf kennis van een model waarvan zij niet in kennis is gesteld, dan kan zij het aanwijzen, en dan voert u het gesprek vanuit een aanwijzing in plaats van vanuit uw eigen dossier. Sinds 2 augustus 2026 staat daar bovendien het boeteregime van artikel 101 achter. Het vierde is het weerleggingsspoor van lid 2: die argumenten horen bij de kennisgeving en niet erna, dus zij moeten al klaarliggen op het moment dat u meldt. Wie eenmaal is aangewezen, houdt alleen lid 5 over, en dat spoor loopt traag: op zijn vroegst zes maanden na het besluit, en alleen met objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het besluit aan het licht zijn gekomen. De tekst noemt de Commissie als geadresseerde; overweging 112 en artikel 55, lid 1, punt c), noemen het AI-bureau, dat deze taak binnen de Commissie uitvoert. Voor een organisatie die alleen een extern model gebruikt speelt dit artikel niet: het richt zich tot de aanbieder van het model. Dat wil niet zeggen dat doorontwikkeling buiten schot blijft: volgens punt (71) van de richtsnoeren C(2025) 5045 final moet een partij die door een aanpassing zelf aanbieder van een systeemrisicomodel wordt, de Commissie overeenkomstig artikel 52, lid 1, informeren.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:commission-gpai-guidelines","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, sectie 3.2, randnummers (60) tot en met (67), en secties 3.2.1 en 3.2.2, randnummers (68) tot en met (71)","source_url":"https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/guidelines-gpai-providers","eli":null},{"kind":"recommended_action","statement":"Bepaal eerst of u aanbieder van het model bent en niet alleen gebruiker, en of uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt stond, want dan geldt de datum van artikel 111, lid 3, en niet de termijn van twee weken. Bent u aanbieder van een nieuw model, leg dan per trainingsrun de geplande en de verbruikte rekenkracht vast, inclusief de pre-training, het genereren van synthetische gegevens en de verfijning, want overweging 111 rekent die alle drie mee. Spreek af wie meldt zodra de drempel in zicht komt, zodat de termijn van twee weken niet opgaat aan het vinden van een eigenaar, en koppel dat aan het moment van toewijzing van rekenkracht en niet aan het einde van de run. Houd de onderbouwing waarmee u zou willen betogen dat het model geen systeemrisico vertoont klaar voordat u meldt, want die hoort bij de kennisgeving. Bent u al aangewezen op grond van lid 4, bouw dan gericht aan objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het aanwijzingsbesluit aan het licht zijn gekomen, want alleen daarmee komt u na zes maanden aan een herbeoordeling toe. Bewaar de kennisgeving, de meegestuurde onderbouwing, een eventueel herbeoordelingsverzoek en het antwoord van de Commissie als een lopend dossier per modelversie.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 52, leden 1 tot en met 6, met artikel 51, leden 1 tot en met 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Bepaal eerst of u aanbieder van het model bent en niet alleen gebruiker, en of uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt stond, want dan geldt de datum van artikel 111, lid 3, en niet de termijn van twee weken. Bent u aanbieder van een nieuw model, leg dan per trainingsrun de geplande en de verbruikte rekenkracht vast, inclusief de pre-training, het genereren van synthetische gegevens en de verfijning, want overweging 111 rekent die alle drie mee. Spreek af wie meldt zodra de drempel in zicht komt, zodat de termijn van twee weken niet opgaat aan het vinden van een eigenaar, en koppel dat aan het moment van toewijzing van rekenkracht en niet aan het einde van de run. Houd de onderbouwing waarmee u zou willen betogen dat het model geen systeemrisico vertoont klaar voordat u meldt, want die hoort bij de kennisgeving. Bent u al aangewezen op grond van lid 4, bouw dan gericht aan objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het aanwijzingsbesluit aan het licht zijn gekomen, want alleen daarmee komt u na zes maanden aan een herbeoordeling toe. Bewaar de kennisgeving, de meegestuurde onderbouwing, een eventueel herbeoordelingsverzoek en het antwoord van de Commissie als een lopend dossier per modelversie.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Overwegingen 111 tot en met 113","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Bepaal eerst of u aanbieder van het model bent en niet alleen gebruiker, en of uw model al voor 2 augustus 2025 op de markt stond, want dan geldt de datum van artikel 111, lid 3, en niet de termijn van twee weken. Bent u aanbieder van een nieuw model, leg dan per trainingsrun de geplande en de verbruikte rekenkracht vast, inclusief de pre-training, het genereren van synthetische gegevens en de verfijning, want overweging 111 rekent die alle drie mee. Spreek af wie meldt zodra de drempel in zicht komt, zodat de termijn van twee weken niet opgaat aan het vinden van een eigenaar, en koppel dat aan het moment van toewijzing van rekenkracht en niet aan het einde van de run. Houd de onderbouwing waarmee u zou willen betogen dat het model geen systeemrisico vertoont klaar voordat u meldt, want die hoort bij de kennisgeving. Bent u al aangewezen op grond van lid 4, bouw dan gericht aan objectieve, gedetailleerde en nieuwe redenen die na het aanwijzingsbesluit aan het licht zijn gekomen, want alleen daarmee komt u na zes maanden aan een herbeoordeling toe. Bewaar de kennisgeving, de meegestuurde onderbouwing, een eventueel herbeoordelingsverzoek en het antwoord van de Commissie als een lopend dossier per modelversie.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 111, lid 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"}]},{"slug":"article-53-gpai","label":"Artikel 53: GPAI-modelaanbieders","summary":"Documentatie-, informatie-, auteursrechten- en transparantieplichten voor aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden.","legal_status":"applicable","deadline_at":"2025-08-02T00:00:00.000Z","high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-53-gpai","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/guidelines-gpai-providers","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 53 geldt sinds 2 augustus 2025 voor nieuwe GPAI-modellen. Aanbieders onderhouden technische documentatie, geven informatie aan downstream-aanbieders, voeren een Unierechtelijk auteursrechtenbeleid en publiceren een voldoende gedetailleerde samenvatting van trainingsinhoud.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 53, lid 1, Bijlage XI en Bijlage XII","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Aanbieders van GPAI-modellen die vóór 2 augustus 2025 op de markt waren, moeten uiterlijk 2 augustus 2027 aan de toepasselijke verplichtingen voldoen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 113, lid 3, punt b","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Een organisatie die alleen een extern GPAI-model gebruikt is niet daardoor automatisch GPAI-modelaanbieder. De rol in de waardeketen moet eerst worden vastgesteld.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:commission-gpai-guidelines","source_locator":"Aanwijzingen over reikwijdte en kwalificatie als aanbieder","source_url":"https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/guidelines-gpai-providers","eli":null},{"kind":"recommended_action","statement":"Leg modelversies, rolkwalificatie, documentatie-eigenaren, downstream-informatie, auteursrechtenbeleid en trainingssamenvatting in één wijzigingsgestuurd dossier vast.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 53 en de Bijlagen XI en XII","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"}]},{"slug":"article-54-gpai-authorised-representative","label":"Artikel 54: gemachtigde van een aanbieder van een GPAI-model","summary":"Een aanbieder die in een derde land is gevestigd, wijst bij schriftelijke machtiging een in de Unie gevestigde gemachtigde aan voordat hij een AI-model voor algemene doeleinden in de Unie in de handel brengt. De gemachtigde voert de taken uit die het mandaat hem opdraagt en legt op verzoek een kopie van dat mandaat over aan het AI-bureau. Het mandaat geeft hem ten minste de bevoegdheid om de documentatie te controleren, een kopie tien jaar beschikbaar te houden, informatie te verstrekken en samen te werken, en stelt hem aan als aanspreekpunt naast of in plaats van de aanbieder.","legal_status":"applicable","deadline_at":"2025-08-02T00:00:00.000Z","high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-54-gpai-authorised-representative","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"Lid 1 bepaalt dat aanbieders die in derde landen zijn gevestigd, voordat zij een AI-model voor algemene doeleinden in de Unie in de handel brengen, middels een schriftelijke machtiging een gemachtigde aanwijzen die is gevestigd in de Unie. Lid 2 bepaalt dat de aanbieder zijn gemachtigde in staat stelt de taken uit te voeren die staan gespecificeerd in het mandaat dat hij van de aanbieder heeft ontvangen. Lid 3 bepaalt dat de gemachtigde de taken uitvoert die staan gespecificeerd in het mandaat dat hij van de aanbieder heeft ontvangen, dat hij op verzoek een kopie van het mandaat overlegt aan het AI-bureau in een van de officiele talen van de instellingen van de Unie, en dat het mandaat de gemachtigde voor de toepassing van de verordening de bevoegdheid geeft om de volgende taken te verrichten: a) controleren of de aanbieder de in bijlage XI gespecificeerde technische documentatie heeft opgesteld en aan alle in artikel 53 en, indien van toepassing, artikel 55 bedoelde verplichtingen heeft voldaan; b) een kopie van de in bijlage XI gespecificeerde technische documentatie beschikbaar houden voor het AI-bureau en de nationale autoriteiten gedurende een periode van tien jaar nadat het AI-model voor algemene doeleinden in de handel is gebracht, en de contactgegevens van de aanbieder door wie de gemachtigde is aangewezen; c) het verstrekken aan het AI-bureau, na een met redenen omkleed verzoek, van alle informatie en documentatie, waaronder die in punt b, die nodig is om aan te tonen dat de verplichtingen van dit hoofdstuk worden nageleefd; d) samenwerken met het AI-bureau en de bevoegde autoriteiten, na een met redenen omkleed verzoek, bij alle maatregelen die de autoriteiten nemen in verband met het AI-model voor algemene doeleinden, ook indien het model wordt geintegreerd in AI-systemen die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden gesteld. Lid 4 bepaalt dat door het mandaat de gemachtigde wordt aangesteld als aanspreekpunt, naast of in plaats van de aanbieder, voor het AI-bureau of de bevoegde autoriteiten, met betrekking tot alle vraagstukken die verband houden met het waarborgen van de naleving van de verordening. Lid 5 bepaalt dat de gemachtigde het mandaat beeindigt indien hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat de aanbieder in strijd met zijn verplichtingen op grond van de verordening handelt, en dat hij in dat geval het AI-bureau onmiddellijk in kennis stelt van de beeindiging van het mandaat en de redenen daarvoor. Lid 6 bepaalt dat de in dit artikel genoemde verplichting niet geldt voor aanbieders van AI-modellen die worden vrijgegeven in het kader van een vrije en opensource licentie die de raadpleging, het gebruik, de wijziging en distributie van het model mogelijk maakt en waarvan de parameters, met inbegrip van de wegingen, de informatie over de modelarchitectuur en de informatie over het gebruik van het model, openbaar worden gemaakt, tenzij de AI-modellen voor algemene doeleinden systeemrisico’s vertonen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 54, leden 1 tot en met 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Lid 1 bepaalt dat aanbieders die in derde landen zijn gevestigd, voordat zij een AI-model voor algemene doeleinden in de Unie in de handel brengen, middels een schriftelijke machtiging een gemachtigde aanwijzen die is gevestigd in de Unie. Lid 2 bepaalt dat de aanbieder zijn gemachtigde in staat stelt de taken uit te voeren die staan gespecificeerd in het mandaat dat hij van de aanbieder heeft ontvangen. Lid 3 bepaalt dat de gemachtigde de taken uitvoert die staan gespecificeerd in het mandaat dat hij van de aanbieder heeft ontvangen, dat hij op verzoek een kopie van het mandaat overlegt aan het AI-bureau in een van de officiele talen van de instellingen van de Unie, en dat het mandaat de gemachtigde voor de toepassing van de verordening de bevoegdheid geeft om de volgende taken te verrichten: a) controleren of de aanbieder de in bijlage XI gespecificeerde technische documentatie heeft opgesteld en aan alle in artikel 53 en, indien van toepassing, artikel 55 bedoelde verplichtingen heeft voldaan; b) een kopie van de in bijlage XI gespecificeerde technische documentatie beschikbaar houden voor het AI-bureau en de nationale autoriteiten gedurende een periode van tien jaar nadat het AI-model voor algemene doeleinden in de handel is gebracht, en de contactgegevens van de aanbieder door wie de gemachtigde is aangewezen; c) het verstrekken aan het AI-bureau, na een met redenen omkleed verzoek, van alle informatie en documentatie, waaronder die in punt b, die nodig is om aan te tonen dat de verplichtingen van dit hoofdstuk worden nageleefd; d) samenwerken met het AI-bureau en de bevoegde autoriteiten, na een met redenen omkleed verzoek, bij alle maatregelen die de autoriteiten nemen in verband met het AI-model voor algemene doeleinden, ook indien het model wordt geintegreerd in AI-systemen die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden gesteld. Lid 4 bepaalt dat door het mandaat de gemachtigde wordt aangesteld als aanspreekpunt, naast of in plaats van de aanbieder, voor het AI-bureau of de bevoegde autoriteiten, met betrekking tot alle vraagstukken die verband houden met het waarborgen van de naleving van de verordening. Lid 5 bepaalt dat de gemachtigde het mandaat beeindigt indien hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat de aanbieder in strijd met zijn verplichtingen op grond van de verordening handelt, en dat hij in dat geval het AI-bureau onmiddellijk in kennis stelt van de beeindiging van het mandaat en de redenen daarvoor. Lid 6 bepaalt dat de in dit artikel genoemde verplichting niet geldt voor aanbieders van AI-modellen die worden vrijgegeven in het kader van een vrije en opensource licentie die de raadpleging, het gebruik, de wijziging en distributie van het model mogelijk maakt en waarvan de parameters, met inbegrip van de wegingen, de informatie over de modelarchitectuur en de informatie over het gebruik van het model, openbaar worden gemaakt, tenzij de AI-modellen voor algemene doeleinden systeemrisico’s vertonen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 3, punt 5","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 113, lid 3, punt b, bepaalt dat hoofdstuk III, afdeling 4, hoofdstuk V, hoofdstuk VII en hoofdstuk XII en artikel 78 van toepassing zijn met ingang van 2 augustus 2025, met uitzondering van artikel 101. Artikel 54 staat in hoofdstuk V en is dus van toepassing sinds 2 augustus 2025.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 113, lid 3, punt b","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 101, lid 1, bepaalt dat de Commissie aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden geldboeten kan opleggen van ten hoogste 3 procent van hun jaarlijkse totale wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar of 15 000 000 EUR, indien dat hoger is. Artikel 101 is door artikel 113, lid 3, punt b, uitgezonderd van de vervroegde toepassing van hoofdstuk XII en geldt daarom sinds 2 augustus 2026. De verplichting van artikel 54 loopt dus sinds 2 augustus 2025, terwijl de boetebevoegdheid van de Commissie daarvoor sinds 2 augustus 2026 bestaat.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 101, leden 1 tot en met 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"official_fact","statement":"Aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden die voor 2 augustus 2025 in de handel zijn gebracht, nemen de nodige stappen om uiterlijk 2 augustus 2027 aan de in de verordening vastgelegde verplichtingen te voldoen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 111, lid 3","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Dit artikel raakt twee partijen die zichzelf zelden zo zien. De eerste is de modelaanbieder buiten de Unie die denkt dat hij pas iets moet wanneer een Europese klant hem aanspreekt: lid 1 zet de aanwijzing voor het in de handel brengen, dus de gemachtigde hoort er te zijn voordat de eerste gebruiker in de Unie het model kan raadplegen. De tweede is de Europese partij die het mandaat aanneemt. Die stapt niet in een postadresrol, maar let op hoe lid 3 is gebouwd: de eerste volzin verplicht haar de taken uit te voeren die het mandaat haar opdraagt, en pas daarna somt het artikel op waartoe het mandaat haar de bevoegdheid geeft. De punten a tot en met d zijn dus mandaatinhoud en bevoegdheid, en haar plicht loopt daar doorheen. Daar zit de scherpste onbeantwoorde vraag van dit artikel: is een gemachtigde die een mandaat aanvaardt waarin taak a of b niet is opgenomen daarmee zelf in overtreding, of rust de tekortkoming volledig bij de aanbieder die het mandaat opstelde. Wij lezen lid 3 zo dat de opsomming dwingende minimuminhoud is en dat een mandaat dat haar mist niet aan het artikel voldoet, wat de aanbieder aanspreekbaar maakt op lid 1 en de gemachtigde op wat zij wel heeft aanvaard. Een verdedigbare andere lezing is dat de gemachtigde die tekent zonder die bevoegdheden een taak op zich neemt die zij niet kan waarmaken en daarmee zelf tekortschiet. Neem daarom niet aan dat de tienjaarsbewaring van punt b vanzelf op u rust of vanzelf niet; schrijf haar uit. Lid 5 sluit dit af op een manier die vaak wordt gemist: wie meent of redenen heeft om aan te nemen dat de aanbieder zijn plichten schendt, beeindigt het mandaat en meldt dat onmiddellijk aan het AI-bureau. Dat is geen bevoegdheid maar een plicht, en zij vraagt om vooraf afgesproken toegang tot de documentatie en om een moment waarop die toegang wordt getoetst.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 54, leden 1 tot en met 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Drie dingen over de tijdlijn en de reikwijdte. Ten eerste het verschil tussen plicht en handhaving: de plicht loopt sinds 2 augustus 2025, maar artikel 101 is van de vervroegde toepassing uitgezonderd, zodat de Commissie pas sinds 2 augustus 2026 kan beboeten. Voor een aanbieder buiten de Unie die vandaag ontdekt dat hij geen gemachtigde heeft, betekent dat: al ruim een jaar in overtreding, en inmiddels ook beboetbaar. Ten tweede de verhouding tot artikel 22. Dat artikel kent dezelfde figuur voor hoog-risico AI-systemen, met aanvangsdata 2 december 2027 en 2 augustus 2028; artikel 54 is de eigen route voor AI-modellen voor algemene doeleinden en loopt sinds 2 augustus 2025. Wie de rol van gemachtigde opzoekt, vindt beide en moet weten welke route hem raakt. Ten derde het aanknopingspunt van lid 1. De verordening bepaalt het moment van in de handel brengen voor een model minder scherp dan voor een systeem, en voor een model dat uitsluitend via een interface vanuit een derde land beschikbaar wordt gesteld is er geen rechtspraak. Wij lezen de plicht als aangevangen zodra het model in het kader van een handelsactiviteit aan gebruikers in de Unie beschikbaar wordt gesteld, omdat lid 1 aanknoopt bij het in de handel brengen en niet bij een vestiging in de Unie. Een verdedigbare andere lezing is dat het beschikbaar stellen via een interface geen in de handel brengen van het model zelf is, waardoor de plicht pas ontstaat bij een echte levering van het model.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 113, lid 3, punt b","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"Drie dingen over de tijdlijn en de reikwijdte. Ten eerste het verschil tussen plicht en handhaving: de plicht loopt sinds 2 augustus 2025, maar artikel 101 is van de vervroegde toepassing uitgezonderd, zodat de Commissie pas sinds 2 augustus 2026 kan beboeten. Voor een aanbieder buiten de Unie die vandaag ontdekt dat hij geen gemachtigde heeft, betekent dat: al ruim een jaar in overtreding, en inmiddels ook beboetbaar. Ten tweede de verhouding tot artikel 22. Dat artikel kent dezelfde figuur voor hoog-risico AI-systemen, met aanvangsdata 2 december 2027 en 2 augustus 2028; artikel 54 is de eigen route voor AI-modellen voor algemene doeleinden en loopt sinds 2 augustus 2025. Wie de rol van gemachtigde opzoekt, vindt beide en moet weten welke route hem raakt. Ten derde het aanknopingspunt van lid 1. De verordening bepaalt het moment van in de handel brengen voor een model minder scherp dan voor een systeem, en voor een model dat uitsluitend via een interface vanuit een derde land beschikbaar wordt gesteld is er geen rechtspraak. Wij lezen de plicht als aangevangen zodra het model in het kader van een handelsactiviteit aan gebruikers in de Unie beschikbaar wordt gesteld, omdat lid 1 aanknoopt bij het in de handel brengen en niet bij een vestiging in de Unie. Een verdedigbare andere lezing is dat het beschikbaar stellen via een interface geen in de handel brengen van het model zelf is, waardoor de plicht pas ontstaat bij een echte levering van het model.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","source_locator":"Artikel 1, punt 40, onder b) en c), tot vervanging van artikel 113, derde alinea, punt c) en tot toevoeging van punt d)","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Stel eerst vast of u aanbieder van het model bent of alleen gebruiker, want alleen de aanbieder wijst aan. Bent u buiten de Unie gevestigd, leg het mandaat dan schriftelijk vast voordat het model hier beschikbaar komt, en schrijf de vier taken van lid 3 er met zoveel woorden in, samen met de toegang tot de documentatie van bijlage XI en het aanspreekpunt uit lid 4. Was uw model al voor 2 augustus 2025 in de handel, reken dan met 2 augustus 2027 en niet met vandaag. Ontdekt u nu pas dat er geen gemachtigde is, ga er dan van uit dat de plicht sinds 2 augustus 2025 liep en dat de Commissie er sinds 2 augustus 2026 een boete aan kan verbinden; herstel eerst en documenteer wanneer u dat deed. Neemt u een mandaat aan, spreek dan vooraf af hoe u de controle van lid 3 punt a uitvoert, wie de kopie tien jaar bewaart, en op welk moment u toetst of beeindiging op grond van lid 5 aan de orde is.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 54, leden 1 tot en met 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Stel eerst vast of u aanbieder van het model bent of alleen gebruiker, want alleen de aanbieder wijst aan. Bent u buiten de Unie gevestigd, leg het mandaat dan schriftelijk vast voordat het model hier beschikbaar komt, en schrijf de vier taken van lid 3 er met zoveel woorden in, samen met de toegang tot de documentatie van bijlage XI en het aanspreekpunt uit lid 4. Was uw model al voor 2 augustus 2025 in de handel, reken dan met 2 augustus 2027 en niet met vandaag. Ontdekt u nu pas dat er geen gemachtigde is, ga er dan van uit dat de plicht sinds 2 augustus 2025 liep en dat de Commissie er sinds 2 augustus 2026 een boete aan kan verbinden; herstel eerst en documenteer wanneer u dat deed. Neemt u een mandaat aan, spreek dan vooraf af hoe u de controle van lid 3 punt a uitvoert, wie de kopie tien jaar bewaart, en op welk moment u toetst of beeindiging op grond van lid 5 aan de orde is.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 101, leden 1 tot en met 6","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"}]},{"slug":"article-55-gpai-systemic-risk","label":"Artikel 55: GPAI-modellen met systeemrisico","summary":"Aanvullende plichten voor de zwaarste AI-modellen voor algemene doeleinden, bovenop Artikel 53.","legal_status":"applicable","deadline_at":"2025-08-02T00:00:00.000Z","high_risk_regime_from":null,"human_page":"https://www.praxikon.com/nl/verplichtingen/article-55-gpai-systemic-risk","api":"https://www.praxikon.com/api/v1/obligations?lang=nl","official_source":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","citations":[{"kind":"official_fact","statement":"Artikel 55 verplicht aanbieders van GPAI-modellen met systeemrisico tot modelevaluaties met adversarial testen, beoordeling en mitigatie van systeemrisico’s op Unieniveau, registratie en melding van ernstige incidenten, en passende cyberbeveiliging van model en infrastructuur. De verplichtingen gelden sinds 2 augustus 2025; de handhaving door het AI Office is sinds 2 augustus 2026 actief.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 55, leden 1 en 2, in samenhang met artikel 51 en artikel 52","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"editorial_interpretation","statement":"De 10^25 FLOPs-drempel is een vermoeden, geen grens waar u zich achter kunt verschuilen: de Commissie kan modellen ook op capaciteiten aanwijzen, en finetuning bovenop een bestaand model kan onder omstandigheden een eigen kwalificatie opleveren.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 55, leden 1 en 2, in samenhang met artikel 51 en artikel 52","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"},{"kind":"recommended_action","statement":"Modelaanbieders in de buurt van de drempel: richt de drempelbewaking nu in en sluit aan bij de Code of Practice om de bewijslast te dragen.","source_id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","source_locator":"Artikel 55, leden 1 en 2, in samenhang met artikel 51 en artikel 52","source_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj"}]}],"conditional":[],"sources":[{"id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2024-1689","title":"EU AI-verordening 2024/1689","publisher":"Europees Parlement en Raad","canonical_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1689/oj","source_version":"original-oj-2024-07-12","verified_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z"},{"id":"praxikon:eu:ai-act:source:reg-eu-2026-1744","title":"Digital Omnibus over AI 2026/1744","publisher":"Europees Parlement en Raad","canonical_url":"https://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","eli":"http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1744/oj","source_version":"official-journal-2026-07-24","verified_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z"},{"id":"praxikon:eu:ai-act:source:commission-gpai-guidelines","title":"Richtsnoeren voor GPAI-modelaanbieders","publisher":"Europese Commissie","canonical_url":"https://digital-strategy.ec.europa.eu/en/policies/guidelines-gpai-providers","eli":null,"source_version":"checked-2026-08-08","verified_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z"},{"id":"praxikon:eu:ai-act:source:cen-cenelec-jtc21","title":"CEN-CENELEC JTC 21: Europese normen onder normalisatieverzoek M/613","publisher":"CEN-CENELEC JTC 21","canonical_url":"https://www.cencenelec.eu/areas-of-work/cen-cenelec-topics/artificial-intelligence/","eli":null,"source_version":"work-programme-checked-2026-08-08","verified_at":"2026-08-08T00:00:00.000Z"}],"first_actions":[{"label":"Leg per eis vast op welke norm of specificatie u leunt, en rechtvaardig elke afwijking","summary":"Houd een dekkingsmatrix bij van de eisen van afdeling 2 tegen de toegepaste geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke specificaties en eigen documenten, met per regel de bekendmakingsstatus in het Publicatieblad, en schrijf voor elke niet toegepaste gemeenschappelijke specificatie de rechtvaardiging van artikel 41, lid 5, uit."},{"label":"Onderbouw en registreer het beroep op artikel 4a","summary":"Alleen voor wie zelf besluit bijzondere categorieen van persoonsgegevens te verwerken voor biastoetsing. Leg dan vast op welk lid van artikel 4a u zich beroept en of dat lid voor uw rol openstaat, waarom andere gegevens niet volstaan, welke waarborgen gelden, wie toegang heeft en wanneer de gegevens worden gewist. Vervang daarbij oude verwijzingen naar artikel 10, lid 5."},{"label":"Stel de Commissie binnen twee weken in kennis","summary":"Meld het model zodra het voldoet aan de voorwaarde van artikel 51, lid 1, punt a), of zodra bekend is dat het eraan zal voldoen, met de informatie die nodig is om aan te tonen dat aan de eis is voldaan, en met de eventuele onderbouwing dat het model toch geen systeemrisico vertoont."}],"evidence":[{"label":"Dekkingsmatrix en rechtvaardiging bij normen en specificaties","summary":"Per eis van afdeling 2: de toegepaste geharmoniseerde norm of gemeenschappelijke specificatie met versie, de bekendmakingsstatus van de referentie in het Publicatieblad, wat de norm of specificatie wel en niet dekt, en bij afwijking de rechtvaardiging van artikel 41, lid 5, met de gekozen technische oplossing en de test die de gelijkwaardigheid laat zien.","url":"https://www.praxikon.com/nl/ai-act/artikel/40"},{"label":"Noodzakelijkheidsdossier bij biastoetsing","summary":"Per verwerking: het systeem of model, het lid van artikel 4a waarop u zich beroept, de onderbouwing waarom synthetische of geanonimiseerde gegevens niet volstaan, de getroffen technische en organisatorische waarborgen, de toegangslijst, de vaststelling dat geen andere partij bij de gegevens kan, en de wisdatum. Dit is ook de tekst die volgens lid 1, punt f), in het register van verwerkingsactiviteiten hoort.","url":null},{"label":"Kennisgevingsdossier systeemrisico","summary":"Per modelversie: de gemeten en geplande trainingsrekenkracht met de scope van overweging 111, dus inclusief pre-training, het genereren van synthetische gegevens en verfijning, het moment waarop de drempel werd geraakt of voorzien, de verzonden kennisgeving met de onderbouwende informatie, de eventuele argumenten uit lid 2, een eventueel herbeoordelingsverzoek op grond van lid 5, en de reactie of het aanwijzingsbesluit van de Commissie.","url":null}],"guidance":[{"label":"Wanneer een downstream-partij die finetunet zelf GPAI-aanbieder wordt","statement":"De richtsnoeren van de Commissie van 18 juli 2025 (C(2025) 5045 final) over het toepassingsbereik van de verplichtingen voor aanbieders van AI-modellen voor algemene doeleinden stellen in punt (61) dat het niet nodig is dat elke aanpassing van zo'n model ertoe leidt dat de downstream-partij als aanbieder van het aangepaste model wordt aangemerkt, in lijn met de Blue Guide die bepaalt dat een product dat belangrijke wijzigingen of revisies heeft ondergaan met het oog op wijziging van de oorspronkelijke prestaties, het doel of het type, als een nieuw product kan worden beschouwd. Punt (62) bepaalt dat de Commissie een downstream-partij pas als aanbieder van het aangepaste model beschouwt wanneer de aanpassing leidt tot een aanzienlijke verandering in de algemeenheid, de capaciteiten of het systeemrisico van het model. Punt (63) formuleert het indicatieve criterium: een downstream-partij wordt geacht aanbieder te zijn wanneer de voor de aanpassing gebruikte trainingscompute groter is dan een derde van de trainingscompute van het oorspronkelijke model. Punt (64) bepaalt dat wanneer de downstream-partij die waarde niet kan kennen, bijvoorbeeld omdat de aanbieder van het oorspronkelijke model haar niet heeft meegedeeld, en haar evenmin kan schatten, de drempel wordt vervangen door een derde van 10 tot de macht 25 FLOP wanneer het oorspronkelijke model een model met systeemrisico is, en anders door een derde van 10 tot de macht 23 FLOP. Punt (65) licht toe dat een aanpassing van die omvang naar verwachting een aanzienlijke verandering oplevert die de transparantieverplichtingen van artikel 53 lid 1, punten a en b, rechtvaardigt, dat zo'n aanpassing naar verwachting een aanzienlijke hoeveelheid data heeft gebruikt wat van belang is voor het auteursrechtbeleid en de openbare samenvatting van de trainingsinhoud onder artikel 53 lid 1, punten c en d, en dat bij een oorspronkelijk model met systeemrisico het aangepaste model naar verwachting een aanzienlijk ander systeemrisico vertoont. Punt (67) merkt op dat momenteel weinig aanpassingen aan dit criterium voldoen, dat het aantal downstream-partijen dat aanbieder wordt in de loop van de tijd kan toenemen, en dat het criterium daarmee vooral toekomstgericht is. Punt (68) bepaalt dat de verplichtingen bij een aanpassing beperkt blijven tot die aanpassing: de documentatie onder artikel 53 lid 1, punten a en b, is beperkt tot informatie over de aanpassing, en het auteursrechtbeleid onder punt c en de samenvatting van de gebruikte trainingsinhoud onder punt d zijn beperkt tot de data die als onderdeel van de aanpassing zijn gebruikt. Punt (69) bepaalt dat de downstream-partij die aanbieder wordt ook aan artikel 54 moet voldoen, wat neerkomt op het aanwijzen van een in de Unie gevestigde gemachtigde voor zover die partij zelf buiten de Unie is gevestigd. Punt (70) bepaalt dat wanneer een downstream-partij een als systeemrisicomodel geclassificeerd model zodanig aanpast dat zij aanbieder van het aangepaste model wordt, het resulterende model eveneens wordt vermoed capaciteiten met grote impact te hebben en dus als model met systeemrisico geldt, en punt (71) bepaalt dat die partij dan moet voldoen aan de verplichtingen voor aanbieders van modellen met systeemrisico en de Commissie moet informeren overeenkomstig artikel 52 lid 1.","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, sectie 3.2, randnummers (60) tot en met (67), en secties 3.2.1 en 3.2.2, randnummers (68) tot en met (71)"}],"examples":[{"label":"Wie zwaar finetunet wordt zelf modelaanbieder","situation":"Een Europese scale-up finetunet een bestaand model voor algemene doeleinden voor het eigen product en zet daarbij meer rekenkracht in dan een derde van de rekenkracht waarmee het oorspronkelijke model getraind is.","outcome":"De richtsnoeren van de Commissie over de reikwijdte van de GPAI-plichten behandelen dit geval bij de vraag wanneer iemand zelf modelaanbieder wordt. Het document is niet bindend.","lesson":"Reken voor de finetuning uit hoeveel rekenkracht u inzet ten opzichte van het oorspronkelijke model, want boven een derde daarvan wordt u zelf aanbieder en gelden de documentatie-, auteursrecht- en samenvattingsplichten voor uw aanpassing.","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, reikwijdte van de plichten voor GPAI-modelaanbieders","provenance":"official"},{"label":"Lichte finetuning maakt u geen modelaanbieder","situation":"Een bank finetunet een bestaand model voor algemene doeleinden op de eigen productdocumentatie en klantvragen, met een fractie van de oorspronkelijke rekenkracht, en bouwt daaromheen een klantenchatbot die zij onder eigen naam aanbiedt.","outcome":"De richtsnoeren van de Commissie over de reikwijdte van de GPAI-plichten behandelen dit geval bij de vraag wanneer iemand zelf modelaanbieder wordt. Het document is niet bindend.","lesson":"Blijft uw finetuning ver onder een derde van de oorspronkelijke rekenkracht, dan wordt u geen modelaanbieder, maar gelden voor u nog wel de plichten voor het AI-systeem dat u onder eigen naam aanbiedt.","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, reikwijdte van de plichten voor GPAI-modelaanbieders","provenance":"official"},{"label":"Een model met systeemrisico aanpassen trekt de zwaarste plichten naar u toe","situation":"Een downstreampartij past een bestaand model met systeemrisico zo ingrijpend aan dat de aanpassing boven de drempel uitkomt en publiceert het resultaat als eigen model.","outcome":"De richtsnoeren van de Commissie over de reikwijdte van de GPAI-plichten behandelen dit geval bij de vraag wanneer iemand zelf modelaanbieder wordt. Het document is niet bindend.","lesson":"Ligt de aanpassing van een model met systeemrisico boven de drempel, dan wordt uw resultaat verondersteld capaciteiten met grote impact te hebben, dus schat de rekenkracht vooraf en meld binnen twee weken bij de Commissie.","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, reikwijdte van de plichten voor GPAI-modelaanbieders","provenance":"official"},{"label":"Open source in naam, maar niet in de zin van de verordening","situation":"Drie aanbieders noemen hun model open source. De eerste licentie staat alleen niet-commercieel onderzoek toe. De tweede vraagt een aparte commerciele licentie zodra het aantal maandelijkse gebruikers boven een drempel komt. De derde geeft het model gratis weg, maar host het uitsluitend op het eigen platform waar bezoekers betaalde advertenties te zien krijgen.","outcome":"De richtsnoeren van de Commissie over de reikwijdte van de GPAI-plichten behandelen dit geval bij de vraag wanneer iemand zelf modelaanbieder wordt. Het document is niet bindend.","lesson":"Een gebruiksbeperking is niet vanzelf fataal: specifieke, proportionele en niet-discriminatoire veiligheidsbepalingen mag u opnemen, terwijl een drempel op maandelijkse gebruikers of een aparte commerciële licentie de licentie diskwalificeert.","source_locator":"Commission Guidelines C(2025) 5045 final, 18.7.2025, reikwijdte van de plichten voor GPAI-modelaanbieders","provenance":"official"}],"standards":[],"definitions":[],"answer_page":"https://www.praxikon.com/nl/antwoord/wanneer-gpai-aanbieder-ai-act","follow_up_questions":[{"question":"Welke boetes en handhaving kent de AI Act en wie controleert?","url":"https://www.praxikon.com/nl/antwoord/boetes-handhaving"}],"disclaimer":"Algemene duiding, geen juridisch advies. De officiële bron blijft leidend.","methodology":"https://www.praxikon.com/nl/methodologie"}